Kloosterlied

 

Papyrus de Tweede, het teder aanbeden en edele hoofd van de hierarchie
Had redelijke vrede met zedeloosheden als lederen koorhemd en pederastie
"De lust, na het werken", placht hij op te merken, "in kerken de perken te buiten te gaan
Is niet zo sinister, want niemand verliest er; wie kiest er ook anders het priesterbestaan?
Maar zie nu toch hier es, verzuchtte Papyrus, het kwalijke virus van den Tempelier
Het klooster, men proost er, men bloost er niet eens.Iedereen minnekoost er met Oosterse zwier
Al bouwen ze gothisch, ze zijn zo chaotisch exotisch, vooral op erotisch gebied...
Kannuniken gun ik een kans om te frunniken. Broeders zijn loeders, die gun ik het niet

O, kon ik een monnik een tonic zien drinken, een zuster beluster op koffie zien zijn
Dan liet ik hen zwieren, maar nee: deze klieren versieren maar bieren, likeuren en wijn
Voortdurend een kater en watergeklater van non en van pater, van abt en abdis
Dat moet zich wel wreken: men hoort nu al spreken door Brusselse leken van 'Monniken Pis'
De heilige vader werd kwader en kwader, en nam in dit kader een nader besluit:
'In kloostergebouwen geen slempen, geen sjouwen - wel stoken of brouwen, maar zonder geluid
Toch zijn ze me dierbaar, dus eens in de vier jaar doe ik hun plezier daar met een vrije dag
Dan duld ik inschikkelijk hun onverkwikkelijk prikkelgesmikkel en schrikkelgedrag' 

liedtekstenhoofdpagina