De zee
'De
zee', zo sprak mijn sterk doorgroefde buurman
'De zee, dat is een machtig fenomeen...'
Ik zag hoe hij, verzonken in gedachten
Zijn pijp uitklopte op zijn houten been
Nieuwsgierig
maar geduldig bleef ik wachten
En hij hervond de draad van zijn betoog
'De zee', vervolgde hij, 'heeft veel facetten
Ja, meer dan u zou denken op het oog
Wij
kenners plegen daar wel op te letten
En raken er niet over uitgepraat'
Ik voelde dat hij aan het woord zou blijven
En dacht: 'Nu ja, dan wordt het maar eens laat'
'De
zee, die laat zich niet beknopt omschrijven
Ze kan soms ruw of hoog zijn, dan weer glad
Ze kan ons ook voor grote raadsels stellen
Dat heb ik dikwijls bij de hand gehad
De
zee, meneer, laat ik u dat vertellen
Zowaar als ik hier zit, is mysterieus
En nu zult u me ongetwijfeld vragen
Om hierop door te gaan...' Ik had geen keus
'Met
aardrijkskunde zal ik u niet plagen
Maar wat er in de zee niet alles leeft:
Waaronder veel, waarvan men in de regel
Niet eens een weerschijn van vermoeden heeft
Ik
noem nu maar de koe, de vlo, de egel
De anemoon, de appel, de citroen
En verder - waar u vast wel van zult schrikken -
De draak, de duizendpoot, de schorpioen
En
zelfs (ik zit het heus niet aan te dikken)
De wolf, de spin, de duivel en het spook...
U kunt zich daar althans een beeld bij vormen
Maar onbekende wezens zijn er ook
En
die onttrekken zich aan alle normen
Daarvoor ben ik - geen lafaard - steeds gevlucht!
U kent misschien het paardje, maar de paarde?
De predenaar? De fopening? De plucht?
Wat
dacht u van het frooster? De reerwaarde?
De plijm, de ploog, het fraampje en de glijn?
Dat zijn nog lang niet alle ongedierten
Die in de diepe zee te vinden zijn...'
De
rook hing boven ons in lange slierten
Het laatste glas werd naar de mond gebracht
Toen ging hij heen, de zwaarbeproefde stuurman
En mooi dat ik onrustig sliep, die nacht.